Seizoensgroenten herkennen op de markt
Een markt kunnen lezen is een vaardigheid. In welke stad ter wereld ook.
Er is een test die ik doe als ik een nieuwe stad bezoek: ik ga naar de markt. Niet de toeristenmarkt met magneten en T-shirts, maar de markt waar de bewoners hun groenten kopen.
Een markt vertelt je alles. Welk seizoen het is. Hoe de lokale keuken werkt. Of een stad trots is op zijn eten of het heeft opgegeven aan supermarkten. De markt in Bologna is anders dan die in Lagos, die in Oaxaca anders dan die in Rotterdam. Maar de grammatica is hetzelfde: vers, lokaal, seizoensgebonden.
In Nederland zijn we die grammatica kwijtgeraakt. De supermarkt biedt het hele jaar aardbeien, het hele jaar tomaten, het hele jaar alles. Het seizoen is verdwenen achter de logistiek van import.
Maar wie op de markt koopt, leert het weer. Asperges in april-juni. Aardbeien in juni-juli. Pompoen in de herfst. Boerenkool na de eerste vorst. Elk product heeft een moment waarop het het beste is — en dat moment is kort.
Mijn vader noemde dit "meeëten met de natuur." Niet als principe maar als praktijk. Seizoenseten is goedkoper (overvloed drukt de prijs), smaakvoller (kortere keten, rijper geoogst), en gezonder (variatie door het jaar heen dwingt diversiteit in je dieet af).
De vaardigheid is simpel. Ga naar de markt. Kijk wat er veel is en goedkoop — dat is het seizoen. Koop dat. Vraag de groenteboer hoe je het klaarmaakt. Dat gesprek is meer waard dan elk kookboek.