Ongehoord, maar overal te horen
Over de boze burger, politieke simplificatie en het verlies van gelaagdheid in de samenleving.
Er bestaat in Nederland een zendgemachtigde die zichzelf 'Ongehoord' noemt. De naam claimt een positie: hier spreekt het volk dat al decennia wordt genegeerd, weggezet, de mond gesnoerd. Het is een krachtig frame. Het is ook aantoonbaar onjuist.
Want als er één ding is dat de politieke geschiedenis van de afgelopen kwarteeuw kenmerkt, is het juist de permanente aanwezigheid van de boze burger aan de vergadertafel. Politici, journalisten en wetenschappers breken zich al twintig jaar het hoofd over de vraag wat hem dwarszit. Elke verkiezing wordt uitgelegd als zijn boodschap. Elk beleidsdebat opent met zijn zorgen. Ongehoord, maar feitelijk de enige stem die écht doorklinkt.
Roald Dahl beschreef in zijn Sjakie en de chocoladefabriek een stel kinderen met ernstige karaktergebreken: de gulzige, de verwende, de tv-verslaafde, de dwangmatige kauwgomkouwer. Ze betreden Willy Wonka's paradijs en worden één voor één op spectaculaire wijze ten val gebracht door precies die eigenschappen die ze nooit hebben afgeleerd. Het kost niet veel moeite, schrijft HP/De Tijd, om in dat gezelschap de contouren te herkennen van een deel van het hedendaagse politieke publiek: consumptieverslaafd, chronisch ontevreden, niet te bevredigen, en overtuigd dat alles wat misgaat de schuld is van anderen.
Dat is een hard oordeel. Het is ook een onvolledig oordeel, en dat maakt het gevaarlijk.
De socioloog René Cuperus, medeauteur van de invloedrijke Atlas van Afgehaakt Nederland, noemde het kabinet-Schoof het kabinet van Afgehaakt Nederland: een coalitie gedragen door de stem van praktisch opgeleide kiezers, regionale Nederland, degenen die zich jarenlang miskend voelden door Bestuurlijk en Randstedelijk Nederland. En wat gebeurde er? Een anticlimax. Een kabinet dat vrijwel niets voor elkaar kreeg en uiteindelijk uit elkaar viel. De opstand eindigde met lege handen.
Dat anticlimax bevat een diagnostische boodschap. Politieke vertegenwoordiging heeft de onvrede niet verlost, omdat die onvrede niet primair politiek van aard is. Ze heeft een diepere laag.
Sociaal psycholoog Ron van Wonderen, verbonden aan het Verwey-Jonker Instituut, wijst op iets dat in de politieke beeldvorming structureel verloren gaat: de gelaagdheid van wat mensen werkelijk denken. Als vijftig procent van de Nederlanders zegt een asielstop te willen, klinkt dat als een heldere uitspraak. Maar doorvragen levert een ander beeld op: ja, oorlogsvluchtelingen moeten worden opgevangen; hoe filter je terroristen eruit; hoe zit het met alleenstaande mannen versus gezinnen; zijn het economische of politieke vluchtelingen? De nuance is er, maar ze verdwijnt in de slogans van politici en de soundbites van talkshows.
Daarbij speelt een geografisch paradox. De onvrede over immigratie is het sterkst in regio's waar nauwelijks migranten wonen. Mensen daar baseren hun mening niet op persoonlijke ontmoetingen, maar op mediaberichtgeving en sociale media, die over migranten vrijwel uitsluitend berichten bij incidenten. Politieke bewegingen hebben vervolgens belang bij het amplificeren van die beelden. Het gevaar, zegt Van Wonderen, is dat politiek steeds meer om identiteit gaat draaien: je past je standpunten aan aan de partijlijn, in plaats van andersom. In Amerika is dat al ver gevorderd. In Nederland nog minder, maar de beweging is zichtbaar.
Wat dit alles bij elkaar maakt is een beeld van een samenleving die haar gelaagdheid kwijtraakt. Niet omdat mensen zijn veranderd, maar omdat de structuren zijn weggevallen die die gelaagdheid mogelijk maakten: de verbanden waarin mensen niet als kiezer of consument worden aangesproken maar als persoon werden gekend. De sportvereniging, de kerk, het buurtleven, de stabiele werkplek met collega's die je jaar na jaar zag. In de leegte die dat achterlaat, gedijt simplificatie. En simplificatie heeft altijd een schuldige nodig.
De conclusie die dit alles uitlokt, is niet dat de boze burger ongelijk heeft. Het is dat hij de verkeerde diagnose stelt, aangemoedigd door politici en mediaplatforms die er belang bij hebben die diagnose te versimpelen. De werkelijke vraag is niet: wie heeft ons dit aangedaan? De werkelijke vraag is: wat is er verloren gegaan dat we blijkbaar niet zonder kunnen, en hoe bouwen we dat terug?
Die vraag stellen vereist iets wat de huidige politieke cultuur slecht verdraagt: de bereidheid om verder te kijken dan de eigen groep, en te erkennen dat de man die zijn buurt niet meer herkent en de vrouw die in een ander land is neergestreken allebei iets missen dat op hetzelfde neerkomt.
Ontheemding is geen monopolie van één bevolkingsgroep. Ze is het gedeelde lot van een samenleving die haar verbindende structuren heeft afgebroken. Zolang dat niet wordt erkend, blijft de politiek ronddraaien in dezelfde spiraal: opstand, anticlimax, nieuwe opstand.