Terug
Systeemkritiek29 maart 2026

395.000 werklozen, en dan?

NU.nl meldt 395.000 werklozen. Maar het echte getal vertelt een ander verhaal.

395.000 werklozen, en dan?

NU.nl meldt het met de vertrouwde mix van urgentie en berusting: 395.000 Nederlanders zijn werkloos. Tegelijkertijd staan er honderdduizenden vacatures open. Leeftijdsdiscriminatie is een groot probleem. De WW-duur wordt mogelijk verkort. Joske Paumen van Start Foundation maakt zich zorgen.

Het zijn cijfers die een verhaal vertellen. Maar het is het verkeerde verhaal.

Wat de 395.000 niet vertelt

De werkloosheidscijfers van het CBS volgen de ILO-definitie: je bent werkloos als je geen betaald werk hebt, de afgelopen vier weken actief hebt gezocht, en binnen twee weken kunt beginnen. Wie niet aan alle drie de criteria voldoet, telt niet mee. Die persoon is statistisch onzichtbaar.

In het vierde kwartaal van 2025 bestond de niet-beroepsbevolking uit 3,2 miljoen mensen tussen de 15 en 75 jaar. Daarvan hadden 2,9 miljoen niet recent gezocht en waren niet direct beschikbaar. Dat zijn voor een deel gepensioneerden, maar ook mensen die niet kunnen werken door ziekte of arbeidsongeschiktheid. Daarnaast waren er 182.000 mensen die wél direct beschikbaar waren maar niet zochten, en 108.000 die wél zochten maar niet beschikbaar waren. Het CBS noemt die laatste twee groepen "semiwerklozen", een term die het probleem al samenvat: half werkloos bestaat kennelijk ook, maar het telt niet.

Tel daar de 539.000 onderbenutte deeltijdwerkers bij op, mensen die wél werken maar meer uren willen en kunnen, en het beeld kantelt. Het werkelijke onbenutte arbeidspotentieel is een veelvoud van die 395.000. Maar het precieze getal doet er niet eens meer toe, want het probleem zit dieper.

De deeltijdillusie

Nederland is wereldkampioen deeltijdwerken. Slechts 52 procent van alle werkende Nederlanders werkt voltijds. Het gemiddelde ligt op zo'n 31 uur per week, waar het Europese gemiddelde op 36 uur zit. Dit is geen detail.

Van de 9,8 miljoen mensen die het CBS als "werkend" registreert, werken er 5,1 miljoen voltijds en 4,8 miljoen in deeltijd. De gemiddelde werkende maakt zo'n 1.440 uur per jaar, op een voltijdsnorm van ruim 1.800 uur. Omgerekend naar voltijdsequivalenten komt het totale arbeidsvolume uit op zo'n 7,5 miljoen voltijdsbanen. Op een bevolking van 13,4 miljoen 15- tot 75-jarigen.

Die rekensom is veelzeggend. Het Ministerie van Financiën maakte haar al in de Miljoenennota 2015: 75 procent participatie maal 75 procent van een voltijdsbaan betekent dat iets meer dan de helft van het totale arbeidspotentieel daadwerkelijk wordt benut. Anno 2025 komt de berekening op vergelijkbare waarden uit: 73 procent participatie maal 78 procent van een voltijdsbaan is 57 procent.

Het kostwinnersmodel is nooit verdwenen

In de jaren vijftig werkte één persoon per huishouden, vrijwel altijd de man, vrijwel altijd voltijds. De arbeidsparticipatie van vrouwen lag onder de 30 procent. Op papier was dat een volkomen andere arbeidsmarkt dan nu. Maar reken het om naar voltijdsequivalenten als percentage van de beroepsgeschikte bevolking, en het verschil verdampt grotendeels.

Wat er is gebeurd, is dat het kostwinnersmodel is opgesplitst in een anderhalfverdienersmodel. In plaats van één persoon die veertig uur werkt en één die thuisblijft, werken er nu twee die elk twintig tot dertig uur maken. Het is de vraag of het netto arbeidsvolume per huishouden wezenlijk is veranderd. Wat wel is veranderd, is het verhaal dat we erover vertellen: van 30 procent arbeidsparticipatie onder vrouwen naar ruim 70 procent klinkt als een emancipatierevolutie, maar in uren gemeten is de verschuiving veel bescheidener.

Ondertussen is er wél een groep bijgekomen die er in de jaren vijftig niet was: mensen die volledig buiten het arbeidsproces staan, niet als bewuste keuze van een kostwinnersmodel, maar als structureel gevolg van een arbeidsmarkt die hen niet kan of wil opnemen. De 2,9 miljoen mensen in de niet-beroepsbevolking die niet zoeken en niet beschikbaar zijn, vormen het stille fundament onder de arbeidsmarktstatistieken. Trek je de gepensioneerden daarvan af, dan houd je nog altijd honderdduizenden mensen over die in de werkbare leeftijd zitten maar permanent onzichtbaar zijn.

Wie draagt wie?

In mijn opvoeding gold een simpel principe: je neemt deel aan het maatschappelijk verkeer. Niet uit morele plicht, maar als vanzelfsprekendheid. Werk was niet alleen een inkomensbron, het was een vorm van deelname.

Die vanzelfsprekendheid is verdwenen. Kijk naar de verhoudingen: zo'n 7,5 miljoen voltijdsequivalenten dragen een samenleving van 18 miljoen mensen. Elke voltijds werkende draagt, in economische zin, niet alleen zichzelf maar nog bijna anderhalf persoon mee. Tel daar de vergrijzing bij op, de stijgende zorgkosten, de groeiende overheidssector, en de druk op die werkende groep neemt alleen maar toe.

En wat is het antwoord van de politiek? De AOW-leeftijd verder verhogen. De WW-duur verkorten. Het loonkostenvoordeel voor werknemers boven de 56 afschaffen. Stuk voor stuk maatregelen die de last verschuiven naar precies de groep die al het meest kwetsbaar is: oudere werknemers die hun baan verliezen en door leeftijdsdiscriminatie vrijwel geen kans maken op terugkeer.

Het echte getal

De 395.000 werklozen van NU.nl zijn geen meting. Het is een geruststelling. Een werkloosheidscijfer dat 90 procent van de niet-werkenden buiten beschouwing laat, informeert niet. Het sust.

Het echte getal? Reken alle banen om naar voltijdsequivalenten, zet dat af tegen de totale bevolking in de werkbare leeftijd, en je ziet een land waar bijna de helft van het beschikbare arbeidspotentieel onbenut blijft. Dat is geen arbeidsmarktprobleem. Dat is een maatschappelijk ontwerpprobleem.

Bron: CBS StatLine, Arbeidsdeelname; kerncijfers, Q4 2025; Miljoenennota 2015; NU.nl, 27 maart 2026