Terug
categories.analysis6 mei 2026

De optelsom heeft een naam: het CPB bevestigt het patroon, niet de architectuur die het produceert

Reactie op het CPB-rapport over belastingdruk: het stelsel is op papier progressief, in de praktijk niet. Het CPB beschrijft de mechaniek precies, maar kan vanuit zijn institutionele positie de architectuur niet benoemen die de optelsom produceert.

De optelsom heeft een naam

Het CPB bevestigt het patroon, niet de architectuur die het produceert

Reactie op het CPB-rapport "De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens" (mei 2026)

Het CPB heeft gisteren een rapport gepubliceerd dat in elk opzicht een statecraft-document is, behalve in zijn zelfbenoeming. Het laat zien dat de hoogste 0,01% inkomens een gemiddelde belastingdruk hebben van 28%, terwijl midden- en hoge inkomens tussen de 30 en 35% afdragen.1 Het stelsel is op papier progressief, in de praktijk niet. Het remt de groei van inkomens- en vermogensverschillen niet af en draagt er soms zelfs aan bij. De vermogenspositie van kinderen hangt steeds sterker samen met die van hun ouders, vooral aan de top: kinderen van ouders uit de top 0,01% komen gemiddeld in het 96e percentiel uit. De kansengelijkheid daalt niet ondanks het belastingstelsel, maar mede dankzij de wijze waarop het is opgebouwd.

Tot zover de feiten. De vraag voor lezers van Statecraft is een andere: hoe past dit rapport in het bredere patroon dat we elders hebben gediagnosticeerd, en waarom blijft het CPB zelf binnen het register dat dat patroon juist in stand houdt?

Het patroon dat het CPB beschrijft

In een eerder Statecraft-stuk, "Het onzichtbare beleid", werd het mechanisme getoond aan de hand van zes sectoren: woningmarkt, landbouw, eerstelijnszorg, kinderopvang, recreatievastgoed, infrastructuur. Telkens een asymmetrische kostenimpact, telkens uitstroom van particuliere of familiale eigenaren, telkens instroom van institutionele of buitenlandse partijen, telkens een onomkeerbare verankering tegen de tijd dat het patroon zichtbaar wordt in een talkshow. Het CPB-rapport voegt daar nu een zevende casus aan toe, en die is de meest fundamentele: niet de vermogensverdeling per sector, maar de verdeling van de belastingdruk zelf.

De mechaniek is identiek. Werknemers kunnen niet uitstellen, ib-ondernemers kunnen niet uitstellen, dga's wel. Box 3-vermogen wordt direct belast, ab-vermogen kan via uitstel en doorschuifregeling effectief tot afstel worden. De doorschuifregeling, oorspronkelijk bedoeld om de continuïteit van familiebedrijven niet in gevaar te brengen, levert een effectief belastingtarief op vermogensoverdrachten van ongeveer 2% bij schenking en 5% bij erfenis voor wie er gebruik van kan maken.2 Dat is geen onwaarschijnlijk neveneffect; dat is wat het ontwerp produceert. Wie de mogelijkheid heeft zijn vermogen onder te brengen waar de laagste druk geldt, doet dat. Tussen 2010 en 2020 verdubbelden de leningen uit de eigen bv tot 65 miljard euro. Tussen 2006 en 2024 werd het ab-vermogen tweeëneenhalf keer zo groot, terwijl het box 3-vermogen krimpt.

Het CPB schrijft het zelf, in de zorgvuldige taal die het zich kan permitteren: "de grootste vermogensbestandsdelen kennen de laagste belastingdruk en zijn het meest gestegen in omvang."3 In Statecraft-termen: arbitrage bij ontwerp is onzichtbaar, omdat het ontwerp in fragmenten tot stand komt en niemand het mandaat heeft de optelsom te beoordelen. Box 3 bij Financiën, vennootschapsbelasting bij Financiën, erf- en schenkbelasting bij Financiën, eigenwoningregelingen tussen Financiën en BZK, pensioenkader bij SZW. Op papier ligt het allemaal bij hetzelfde ministerie, maar de doorrekenmodellen veronderstellen symmetrische actoren die in werkelijkheid asymmetrisch zijn.

Wat het rapport ziet en wat het niet ziet

Hier loopt het CPB tegen de grenzen van zijn eigen positie aan. Het is een uitstekend rapport voor wie binnen het rationeel-planmatige register denkt. Het kwantificeert, het toont de mechaniek, het schetst beleidsrichtingen. Wat het niet doet, en niet kan doen vanuit zijn institutionele positie, is de architectuur benoemen die de optelsom produceert. Het rapport spreekt van "afruilen" en "verstoringen", van "doelmatigheid" en "doeltreffendheid". Dat is de blauwe taal van de bouwsteenstudies en de IBO's. In de Veranderkleuren van De Caluwé is dat het register dat in publieke transformaties het meest wordt ingezet en het minst werkt voor de problemen die machtsverhoudingen raken.

De gele hoek, de hoek van macht en deelbelangen, wordt in het rapport één keer aangestipt. Het CPB merkt op dat machtsconcentratie kan leiden tot het aanwenden van politieke invloed voor deelbelangen.4 Dat is geen voetnoot maar de kern. Een belastingstelsel waarin de mogelijkheden tot uitstel en arbitrage geconcentreerd zijn bij ongeveer 1.400 mensen aan de top, en waarin de fiscale faciliteiten voor eigenwoningbezit en pensioen vooral midden- en hogere inkomens accommoderen, is geen toevallige uitkomst van technische keuzes. Het is wat overblijft nadat decennia van afzonderlijke instrumentkeuzes zijn opgeteld in een veld waarin de partijen die zich het beste kunnen aanpassen aan elke nieuwe regel, dat ook hebben gedaan. Het CPB beschrijft dit in alle deugdelijkheid, en kan zich vervolgens niet veroorloven het in te kaderen als een statecraft-falen, omdat statecraft als bestuurlijk vermogen in Nederland geen eigenaar heeft.

De borging die niet bedoeld was

Voor wie het in Statecraft uitgewerkte concept van borging als primaire toetssteen hanteert, is dit dossier een leerzame omkering. Borging gaat in het reguliere gebruik over wat blijft staan als niemand er meer aan denkt. Goed bestuur borgt publieke waarde in mensen, processen, financiering en besluitstructuren, zodat de hervorming niet wegvalt zodra de programmamanager vertrekt of de wind draait. In dit dossier doet het belastingstelsel iets anders, en doet het dat uitstekend. Het borgt de positie van de meest vermogenden, generatie na generatie, via een mechaniek die in geen enkel oprichtingsdocument als doel staat geformuleerd. De doorschuifregeling is niet ontworpen om vermogen onbelast over te dragen. Maar dat is wat zij na drie generaties produceert. Tussen 2006 en 2022 ging het doorsnee vermogen van het doorsnee huishouden van 47.000 naar 135.000 euro, terwijl dat van de top 0,01% van 52 naar 62 miljoen euro steeg. Wie de uitkomst beoordeelt op wat ervan staat als niemand erop stuurt, ziet een buitengewoon goed geborgd resultaat, alleen niet voor de waarde die de wetgever in zijn plenaire debatten beleed.

De Strategische Driehoek

In de termen van Mark Moore is dit dossier een voorbeeld van een driehoek waarvan de drie hoeken elk in een eigen vlak liggen. De publieke waarde, belastingheffing naar draagkracht en redelijke kansengelijkheid, wordt door alle politieke fracties in eigen taal onderschreven. De operationele capaciteit van de Belastingdienst is ondertussen al jaren overbelast door precies de complexiteit die elk van die fracties via amendementen en regelingen heeft toegevoegd. De politieke legitimiteit voor structurele aanpassing wordt afgevangen door de georganiseerde belangen van de groepen die het meest profiteren van de huidige asymmetrie, en die in de regel ook beter zijn georganiseerd dan de groepen die ervoor betalen. De drie hoeken bestaan, maar ze sluiten niet. Wie het stelsel in balans wil brengen, kan niet één hoek versterken. Hij moet de driehoek in één gemeenschappelijk vlak terugbrengen, en dat vergt iets dat in Den Haag zelden voorhanden is: een instantie met het mandaat om de optelsom te beoordelen, een horizon van vijftien tot twintig jaar, en de bereidheid de gele hoek expliciet te benoemen.

Wat dit voor de bestuurlijke praktijk betekent

Het CPB-rapport zal de komende weken op de bekende wijze worden besproken: in commissievergaderingen, in column en hoofdartikel, in een verkiezingsprogramma dat enkele aanbevelingen overneemt en de moeilijke laat liggen. Voor wie in het sociaal of fysiek domein van een gemeente werkt, is de relevantie van dit rapport indirect maar reëel. De ravijnjaren, de tekorten in de jeugdzorg, de WMO-grenzen die elk jaar nauwer worden getrokken, de uitvoeringscapaciteit die wegbrokkelt: dit alles wordt afgedwongen binnen een fiscaal kader dat de structurele scheefheid van de financieringsbasis niet adresseert. Het is geen toeval dat het Rijk ravijnjaren afkondigt voor gemeenten terwijl de fiscale ruimte aan de top onbenut blijft. Het is een ontwerpkeuze, ook al heeft niemand haar als zodanig genomen. De optelsom kiest, en de gemeente betaalt de uitvoering.

In hoofdstuk 9 van De Richting van de Beweging werk ik dit verder uit als het probleem van transferwaarde: de mate waarin een hervorming voorbij de hervormer staande blijft. Dit dossier laat zien wat het tegenovergestelde betekent. Een stelsel kan ook bedoeld of onbedoeld de afwezigheid van hervorming borgen, en dat doen via dezelfde mechanieken die op andere terreinen tot lof leiden. Continuïteit, voorspelbaarheid, compatibiliteit met bestaande structuren. Wat als deugd geldt op de ene laag, werkt op de andere als grendel.

Statecraft is, in dit licht, de discipline om die twee lagen tegelijk te zien.


Footnotes

  1. CPB, De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens (mei 2026), p. 11. De cijfers zijn ontleend aan Van Essen, Vanheukelom, Schulenberg en Lejour (2024), Inkomens en belastingen aan de top in Nederland, CPB.

  2. CPB (2026), p. 19; gemiddelde effectieve belastingdruk over erfenissen en schenkingen waarover aangifte is gedaan, ontleend aan Möhlmann (2022), Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB. Voor de samenhang tussen ouderlijk en kinderlijk vermogen, zie Schulenberg, Van Essen, Hamelink en Lejour (2024), Een steuntje in de rug: vermogensmobiliteit van ouder op kind, CPB.

  3. CPB (2026), p. 17. De cijfers over de ontwikkeling van het ab-vermogen 2006-2024 verwijzen naar CBS-statistieken aangehaald op p. 17-18.

  4. CPB (2026), p. 21, kader 3, met verwijzing naar Banerjee en Duflo (2003), "Inequality and Growth: What Can the Data Say?", Journal of Economic Growth 8: 267-299.